
![]() |
||||
| Bouwkunde | ||||
| Landmeten | ||||
|
||||
|
||||
Optimalisatie van de lokale verstijving van cilinderschalen op discrete steunpunten |
||||
| Stalen cilinderschalen worden frequent gebruikt voor de opslag van vloeistoffen en bulkgoederen. Bij dergelijke dunwandige stalen schaalconstructies is het meest voorkomende bezwijkfenomeen plooi-instabiliteit. Om als ontwerper dit type van bezwijken te vermijden wordt gebruik gemaakt van de relevante methodes uit de ECCS en de Eurocode. In de aanbevelingen van de ECCS zijn evenwel geen rekenregels opgenomen om een cilinder op lokale steunpunten te ontwerpen. Het doel van dit onderzoek is het optimaliseren van de verstijverconfiguratie en het opstellen van rekenregels. | ||||
![]() |
![]() |
|||
| Proefopstelling cilinderschalen | ABAQUS-model | |||
| Doctoraatsstudent: Arne Jansseune | ||||
| Promotoren: Wouter De Corte & Rudy Van Impe (UGent) | ||||
Plaatsingstijdstip van afwerklagen op cementgebonden dekvloeren - Van model naar plaatsingsprotocol |
||||
| Bij plaatsing van dekvloeren wordt momenteel in technische documenten aangeraden om ongeveer 28 dagen of 5 tot 7 dagen per centimeter laagdikte van de dekvloer te wachten vooraleer de afwerklaag van de vloer aan te brengen. Hierbij tracht men schade ten gevolge van vochttransport en krimpvervormingen te vermijden door de dekvloer zo goed mogelijk te laten drogen. In realiteit echter worden de afwerklagen dikwijls geplaatst van zodra de dekvloer voldoende uitgehard is om beloopbaar te zijn. Het vroegtijdig aanbrengen van een afwerklaag kan mogelijk een snelle uitdroging van de dekvloer en het ontstaan van te grote vochtgradiënten over de dikte van de dekvloer vermijden. Hierdoor wordt het risico op “curling” (kromtrekken) mogelijk verkleind. Er ontstaat dus een discussie over het tijdstip waarop afwerklagen best aangebracht worden. Vanuit de praktijk werd gevraagd naar een wetenschappelijk onderbouwde methode die toelaat het optimale afwerkingstijdstip van een dekvloer te bepalen. Aan de hand van interviews en enquêtering wordt de huidige uitvoeringspraktijk in kaart gebracht en geanalyseerd. Vervolgens wordt een praktijkmodel opgesteld dat het hygrothermisch en mechanisch gedrag van een vloer in een reële situatie kan voorspellen. Via simulaties met het praktijkmodel en door analyse van proefvloeren en schadegevallen wordt uiteindelijk een leidraad opgesteld voor de uitvoering van dekvloeren en hun afwerking in de praktijk. |
||||
![]() |
![]() |
|||
| Nivellering dekvloer | Plaatsing vloerbekleding | |||
| Onderzoekers: Tanja Gryspeert, Peter De Pauw (UGent) & Tinne Vangheel (WTCB) | ||||
| Projectleider: Veerle Boel | ||||
Toepasbaarheid van zelfverdichtend beton in dynamisch belaste constructies |
||||
| Anders dan bij statische belasting, kan het dynamische belasten van betonconstructies aanleiding geven tot wat men noemt ‘vermoeiing’. Vooral civieltechnische bouwwerken, zoals bijvoorbeeld (spoor)wegbruggen, maritieme bouwwerken en kraanliggers, hebben te lijden onder de bijzonder grote aantallen belastingscycli. Bij elke belastingscyclus ontstaan immers microscopisch kleine scheurtjes in de cementmatrix die steeds verder propageren en op termijn aanleiding geven tot het bezwijken van de constructie. Er geldt dat hoe groter het aantal spanningscycli het structureel element te verwerken krijgt, hoe meer de sterkte-eigenschappen ervan afnemen. Derhalve kan na x-aantal cycli het spanningsniveau bij bezwijken lager zijn dan dat bij eenmalige belasting. Het fenomeen van vermoeiing is bij traditioneel beton geen nieuwigheid en staat uitvoerig beschreven in de literatuur, maar dit is niet het geval voor zelfverdichtend beton. Gezien de samenstelling van de beide betonsoorten verschillend is, heeft dat ook gevolgen voor het vermoeiingsgedrag. Omwille van de onmiskenbare voordelen en de toenemende populariteit van zelfverdichtend beton, is het onontbeerlijk de dynamische eigenschappen en de vermoeiingsweerstand van dit betontype te onderzoeken om zo de toepassing ervan in civieltechnische, dynamisch belaste constructies op een correcte en wetenschappelijk onderbouwde wijze mogelijk te maken. |
||||
![]() |
![]() |
|||
| Proefopstelling | ABAQUS model | |||
| Doctoraatsstudent: Sara Korte | ||||
| Promotoren: Veerle Boel, Wouter De Corte & Geert De Schutter (UGent) | ||||
Studie van een isotroop lichtgewicht staal–beton brugdekconcept geschikt voor nieuwe bruggen en renovatie van bestaande bruggen |
||||
| Het onderzoeksproject spitst zich toe op een type brugdekvloer dat de eigenschappen van een stalen orthotrope rijvloer wil aanwenden zonder de restricties die door de vermoeiingscontrole hieraan verbonden zijn. Door de talrijke lassen die nodig zijn bij het assembleren van dergelijk stalen dek vermindert immers de vermoeiingsweerstand. Ook worden hierdoor onder andere de ductiliteit en de taaiheid van het staal gereduceerd. Het concept bestaat uit een sandwichconstructie met twee dunne stalen platen aan onder- en bovenzijde. De ruimte tussen beide platen wordt opgevuld met betonnen langs- en dwarsribben, waarbij polystyreenblokken worden gebruikt waartussen het beton wordt gepompt. Dit beton staat voornamelijk in voor de overdracht van de schuifkracht tussen de bovenste en de onderste plaat en kan dus in omvang beperkt worden. Het gebruik van zelfverdichtend beton is essentieel zodat de afmetingen van deze ribben en dus ook de vullingsgraad en het eigengewicht van de gehele constructie voldoende klein gehouden kunnen worden. De verbinding tussen staalplaten en betonribben wordt gerealiseerd door middel van een 2-componenten epoxylijm. Hierdoor dienen geen lasverbindingen meer voorzien te worden aan de staalplaten en verdubbelt hier de toegelaten spanning. Bijgevolg kan de dikte van beide staalplaten gereduceerd worden met 30 tot 40 %, hetgeen opnieuw een gewichtreductie tot gevolg heeft. |
||||
![]() |
![]() |
|||
| Staal-beton brugdekconcept | Proefopstelling longitudinale snede | |||
| Doctoraatsstudent: Peter Helincks | ||||
| Promotoren: Wouter De Corte, Veerle Boel & Geert De Schutter (UGent) | ||||
| Sociale woningbouwmaatschappijen stellen zich over het algemeen tot doel 'zo comfortabel mogelijke woningen tegen zo schappelijk mogelijke huurprijzen' aan te bieden. Het is normaal dat er mensen wonen met een klein budget. Vandaag, maar nog meer in de toekomst nemen de verwarmingskosten en kosten voor productie van warm tapwater een groot deel in van het budget van de huurders en gezinnen. Met de te verwachten stijging van olie- en gasprijzen kan dit tot meer problemen leiden. Daarenboven moeten nieuwe gebouwen vanaf 2021 bijna-energieneutraal zijn. Het doel van dit project is om bij de bouw van nulenergiegebouwen het gehele concept vanaf de keuze van het isolatieniveau van de ruwbouw tot de keuze van installaties voor de opwekking van de resterende energie via ter plaatse opgewekte hernieuwbare bronnen economisch te optimaliseren. Hierbij wordt een rekenblad gebruikt die de totale kost en investeringen minimaliseert en toekomstige kosten oplijst. De focus ligt op betaalbare sociale woningen en appartementen met nulenergie. De behoefte aan energie wordt berekend met een dynamisch model dat rekening houdt met variërend verbruikersgedrag. Rente, inflatie en subsidies, materiaalkosten en installatiekosten kunnen als input in het model worden ingebracht. Als output wordt een overzichtelijk matrixmodel gebruikt, waarmee de gebouwen van het project worden vergeleken zodat op conceptniveau de optimale economisch dimensionering gebeurt van isolatie, installaties van ventilatie en ruimtelijke opwekking, enz. De output levert voor het project ook de bijkomende investeringskost (t.o.v. een bepaald E peil, bvb E80), onderhoudskosten, totale kosten, terugwintijd,… In het pilootproject wordt een groep nulenergiewoningen gerealiseerd die als kijk nulenergieproject de rol van trekker moet vervullen naar de sociale woningbouwmaatschappijen toe. Het project wordt van ontwerp tot uitvoering begeleid en ook na uitvoering opgevolgd wat het verbruikersgedrag betreft. |
||||
![]() |
||||
| CO2-neutrale woning | ||||
| Medewerkers: Leo Van Cauter en Patrick Ampe | ||||
| Meer informatie: http://www.beng2021.be/ | ||||
PLATO - Project LAserscanning: Technologische kennisOverdracht |
||||
| Laserscanning is een relatief nieuwe techniek. Ondanks de verdiensten zoals veelzijdigheid, snelheid en nauwkeurigheid, twijfelen veel landmeters over het gebruik ervan in hun eigen praktijk. Er blijft onzekerheid bestaan over de efficiëntie van deze meetmethode, de noodzaak ervan en voornamelijk de verwerking van de ingemeten gegevens tot bruikbare resultaten. Met dit project willen de aanvragers hun knowhow verworven via eerdere projecten, onderzoek en de praktijk verder aanvullen en overbrengen naar de Vlaamse landmeter KMO’s en andere potentiële gebruikers zodat zij zich een beter beeld kunnen vormen van de mogelijkheden, de principes (zowel meet- als verwerkingsprincipes) en de efficiëntie van laserscanning voor hun dagdagelijkse praktijkgevallen. Tevens willen de projectaanvragers aan sensibilisering doen van de markt, door potentiële opdrachtgevers te inspireren. |
||||
![]() |
![]() |
|||
| Gedeeltelijke scan gebouw D | Testopstelling | |||
De doelstellingen kunnen opgesplitst worden in volgende deelaspecten:
|
||||
| De aanpak is voornamelijk gebaseerd op het uitwerken van een aantal casussen uit de dagelijkse praktijk van landmeters, de erfgoedsector en deformatiemetingen. Verschillende meet- en dataverwerkingstechnieken zullen worden toegepast op deze cases om zo de voor- en nadelen van laserscanning te vergelijken met deze andere meettechnieken en het toepassingsdomein van laserscanning beter te kunnen afbakenen. |
||||
| Onderzoekers: Sara De Clerck & Lieselot Christiaen (KaHo) | ||||
| Promotoren: Greet Deruyter & Björn Vangenechten (KaHo) | ||||
| Meer informatie: http://www.plato3d.be/ | ||||
| Zowel onderwijs als een algemene educatie behoren tot de troeven van Vlaanderen en zijn bijgevolg zowel op gewestelijk als op lokaal niveau focuspunten van het beleid. Bovendien zijn jonge ouders er zich steeds meer van bewust dat in de hedendaagse kennismaatschappij een degelijke vorming noodzakelijk is voor hun kinderen. Voor jonge gezinnen is op die wijze niet enkel de werkplaats een belangrijk criterium voor de keuze van een woonplaats, maar ook een uitgebreid en goed uitgebouwd onderwijsaanbod. Een Vlaams gezin vindt echter nergens een coherente dataset terug met informatie over alle scholen in zijn omgeving. Het doel van dit project is om aan deze nood tegemoet te komen door een geo applicatie op te stellen die aan alle burgers toelaat zich te informeren over het Nederlandstalige scholenbestand. In een eerste fase wordt voor het Gentse kleuterscholenbestand een applicatie opgesteld waarmee de belangrijkste informatie kan opgevraagd worden voor alle Gentse scholen (adres, capaciteit, vrije plaatsen, onderwijsnet, website, etc.). Deze geo applicatie laat ook toe dat men de eigen woning of een andere locatie aanklikt en vervolgens kan nagaan op welke afstanden de scholen in de omgeving gelegen zijn. In een volgende fase is het de bedoeling de dataset die in de applicatie gebruikt wordt uit te breiden tot alle basisscholen van de Vlaamse Gemeenschap. Voor Gent zal de applicatie beschikbaar zijn vóór de zomer van 2013 zodat de inwoners deze al kunnen gebruiken om hun kinderen in te schrijven op een school in hun buurt of in de buurt van bijvoorbeeld hun werkplek of familiale voor- en naschoolse opvang. Een prioriteit bij het ontwikkelen van de applicatie was dat deze zeer eenvoudig, gebruiksvriendelijk en intuïtief werkt zodat ze ook toegankelijk is voor laaggeschoolde ouders of ouders met slechts een beperkte kennis van het internet. |
||||
![]() |
||||
| @school-applicatie | ||||
| Verantwoordelijke: Greet Deruyter | ||||
| Meer informatie: http://inwe.hogent.be/bouwkunde/atschool | ||||